Anouk, Parkpop in Den Haag (1998)
Geschiedenis in vier fasen



Er zijn vier fasen te onderscheiden in deze geschiedenis over cultuureducatie in het onderwijs en in de vrije tijd. Elke fase wordt mede bepaald door maatschappelijke veranderingen en de opkomst van steeds andere jeugdculturen, van pop- tot digitale cultuur.

1948-1961 Volksverheffing en cultuurspreiding. Kunstzinnige vorming geldt als middel tot vorming van de burgers en beschaving. Structureel overheidsbeleid voor de kunstzinnige vorming ontbreekt grotendeels; bevlogen idealisten en particuliere initiatieven dragen de vrije expressie voor kinderen uit.

1962-1981 Groei en welzijn. Met de opkomst van popcultuur en de democratisering van de samenleving verschuift het mensbeeld naar het autonome kind. Kunstzinnige vorming wordt ingebed in een breed welzijnsbeleid van de Rijksoverheid. De Mammoetwet democratiseert het voortgezet onderwijs.

1982-1997 Verzakelijking en artistieke kwaliteit. De kunstzinnige vorming wordt gedecentraliseerd van Rijk naar provincies en gemeenten en doelmatiger georganiseerd. Kwaliteit en professionalisering staan centraal. Kunstzinnige vorming oriënteert zich op de professionele dominante kunsten.

1998-2023 Vergaande versnippering. De Rijksoverheid richt zich met cultuureducatie nadrukkelijk op het onderwijs en investeert in structurele inbedding van cultuuronderwijs in het curriculum van primair en voortgezet onderwijs. Provincies en gemeenten voegen zich naar dit beleid en trekken zich deels terug uit de kunsteducatie in de vrije tijd. Er is een terugkerende spanning tussen het ideaal van democratisering en feitelijke ongelijkheid die vraagt om herbezinning.

Deze vier fasen tonen hoe het Nederlandse cultuureducatiebeleid steeds opnieuw inzet op democratisering van cultuur en moeite heeft om te reageren op veranderende jeugdculturen. Discussie over inclusie en diversiteit leiden tot een herbezinning op de democratisering van cultuur: een culturele democratie.