© Oscar van Alphen, De Jordaan, fotoboek Kinderen in de grote stad (1958)
Periode 1. Volksverheffing en cultuurspreiding 1948-1961




De naoorlogse geschiedenis van de kunstzinnige vorming begint in 1948 met de tentoonstelling Kunst en Kind in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Initiatieven van gedreven idealisten kleuren de kunstzinnige vorming in de jaren vijftig. De overheid streeft naar volksverheffing en cultuurspreiding met de bouw van theaters, musea en bibliotheken, want de dominante kunsten zouden toegankelijk moeten zijn voor iedereen. Ondertussen verzetten opkomende jeugdculturen zich tegen gezag en traditionele waarden.


Alles leek nog ordelijk, fatsoenlijk en verzuild. Kinderen en adolescenten ontleenden hun zelfbeeld en identiteit veelal aan religieuze of ideologische zuilen waarbinnen zij opgroeiden. Afkomst en bezit bepaalden voor kinderen hun schoolloopbaan en maatschappelijk perspectief. Cultuurspreiding en kunstzinnige vorming waren instrumenten tot verheffing: het kind als burger in wording binnen de marges van de standenmaatschappij. De focus lag op de dominante cultuur zoals klassieke muziek, musea, beeldende kunst en literatuur. Kunstzinnige vorming was vooral buitenschools georganiseerd met muziekscholen, creativiteitscentra, amateurkunstverenigingen, symfonie, fanfare en bibliotheken.