Periode 3. Verzakelijking en artistieke kwaliteit 1982-1997
Het kunstbeleid zal in de jaren tachtig en negentig verzakelijken. Kunstzinnige vorming richt zich op de professionele dominante kunsten en verliest daarmee de aansluiting bij brede groepen jongeren. De Rijksoverheid draagt de verantwoordelijkheid voor dit beleid, zoals de financiering en uitvoering, deels over aan provincies en gemeenten. Met de Wet op het basisonderwijs (1985) kan er meer ruimte komen voor expressieactiviteiten. In het voortgezet onderwijs zullen ook vwo-leerlingen voor het eerst eindexamen gaan doen in kunstvakken. Hiphop verovert Nederland. Jongeren oriënteren zich op hun eigen culturele leefwereld en ontwikkelen hun identiteit buiten de culturele instituties om.
Deze inhoudelijke koerswijziging ging gepaard met een bestuurlijke herordening. Het cultuurbeleid werd gestroomlijnd via een taakverdeling tussen het Rijk, provincies en gemeenten. Er ontstond een infrastructuur met een nieuwe koepelorganisatie, een brancheorganisatie en een inspectie voor de kunstzinnige vorming, gericht op artistieke kwaliteit en professionalisering. Daarmee verloor de kunstzinnige vorming haar verbinding met brede groepen kinderen en jongeren.
Jongeren oriënteerden zich in toenemende mate op hun eigen culturele leefwereld, gevormd door commerciële muziek, film en media. Identiteit ontwikkelde zich buiten de culturele instituties om. Zo wordt in de loop van de jaren negentig de kloof versterkt, tussen de cultuur die in beleid en onderwijs werd aangeboden en de cultuur waarin jongeren daadwerkelijk leefden. Tegen het einde van het decennium werd deze kloof expliciet als probleem erkend. Dit resulteerde midden jaren negentig in een ingrijpende beleidswijziging, waarmee werd geprobeerd de culturele afstand tussen onderwijs, cultuur en de leefwereld van kinderen en jongeren te overbruggen.

